De Gaasbeekse lenen


Inleiding
De Gaasbeekse lenen, de in 1459 versnipperde bezittingen van Jacob van Gaasbeek, heer van Henegouwen (Gaasbeek ligt bij Brussel), maar in Nederland vooral bekend als heer van Putten [land bij Voorne] en Strien [Strijen], Abcoude [met bezit bij Woudenberg e.o] en Wijk bij Duurstede, resp. als plunderaar van Schoonhoven (1428 of zo). Deze voerde als een ware (roof)ridder strijd met de Utrechtse bisschoppen, maar moest het tenslotte afleggen tegen bisschop Rudolph van Diepholt, die nog een graadje erger was dan hijzelf. Zodat hij moest toestaan dat al zijn Utrechtse en Neder-Betuwse bezittingen na zijn dood naar de Utrechtse clerus gingen, al heeft hij vanwege schulden in de tussentijd ook nog een flink aantal lenen rond Rijswijk aan de Heer van Culemborg overgedaan. Ik duidt de lenen van Culemborg verder als LvC aan, de diverse leenakteboeken bij hun inventarisnummer zoals dat in het Gelders Archief te Arnhem voorkomt [toegang 0370, Heeren van Culemborg], en bij het bladnummer van het repertorium dat Schilfgaarde als archivaris daarop heeft gemaakt. Van de Gaasbeekse Lenen (RLG) maakte J.C. Kort 2 jaar geleden een handzaam (maar helaas indexloos) repertorium, dat ik volg omdat het gemakkelijk is te raadplegen. Van het repertorium gebruik ik vooral de Wijkse leenhof, zodat de aanduiding van de akten hierna wordt aangegeven als [RLG/Wijk/blz.nr/aktenr.]:

RLG/Wijk/181/233:
4 morgen op Dwarsdijk (in het gerecht van Wijk [want geografisch onder Cothen gelegen]), strekkend van Dwarsdijker wetering tot de waard van Jan van Meerten,
7-10-1541: Johan Gerardsz bij dode van Gerard Jacobsz, zijn vader, met lijftocht [oudedagvoorziening die de erfgenamen moesten opbrengen] van Elisabeth, dochter van Reiner Simonsz, zijn vrouw,
10-5-1550: Johan van Spithoven Jansz bij overdracht door Jan Gerardsz. 2-12-1579: Cornelis Jansz van Royen voor Eechtge, dochter van Jan van Spithoven, zijn schoonzuster, bij dode van Jan van Spithoven Jansz. [dwz overleden in dat jaar want verheffing van het leen moest binnen een jaar plaatsvinden, wilde het leen niet aan de leenman ontvallen].
Nu gaat het even fout, want de volgende aantekening maakt duidelijk dat er een verheffing van het leen is overgeslagen. Blijkbaar was men daar in de woelige jaren na 1578 niet meer zo streng over, want er wordt zelfs geen aantekening meer gemaakt over dat abuis.
13-10-1610: Lambert van Spithoven Cornelisz bij dode van Cornelis van Spithoven Dirksz, zijn vader, en
21-12-1622: Jan van Spithoven Cornelisz voor Joostje Lambertsdr, zijn moeder, weduwe van Cornelis van Spithoven Dirksz, bij dode van Lambert, haar zoon.
20-8-1636: Mr. Johan van Gronsveld, advokaat bij het Hof van Utrecht, voor Cornelis Willemsz Vermeer bij dode van Joostje Lambertsd., weduwe, diens grootmoeder, waarna overdracht aan Otto van Leeuwen, oud-schepen van Wijk.

RLG/Wijk/195/nr. 267:
De waard in Dwarsdijk met rijswaard en toebehoren (totaal 58 morgen): Dit leen, in 1460 tezamen met een huis en hofstede in Wijk beleend aan Johan van Meerten, wordt in 1518 gesplitst, waarna een derde aan Cornelis van Meerten toekomt, om op 31-8-1577 na het overlijden van Anton van Meerten in handen te komen van Arnout Bremt "te Kerstenbroek in het land van Gulick" ten behoeve van diens onmondige zoon Dirk. Dan volgt:
15-2-1606: Cornelis van Sithoven Dirksz bij overdracht door Adam van Brempt
13-10-1610: Johan van Spithoven bij dode van Cornelis, zijn vader, waarna dit leen in 1633 opnieuw gesplitst wordt, nu in twee helften:
9-11-1633: Jan van Spithoven Cornelisz [de helft van het leen] voor Cornelis van Spithoven, zijn neef, onmondig, bij dode van Dirk, diens vader, [Jans broer], en
21-8-1636: Otto van Leeuwen, oud-schepen van Wijk [zie RLG/Wijk/181/233 hierboven, de dag er voor] bij overdracht door Johan van Spithoven Cornelisz.
Daarmee raakt dit leen uit familiebezit, waarna dat ruim twee jaar later ook gebeurd met de op 9-11-1636 aan de minderjarige Cornelisz Dirksz van Spithoven opgedragen helft:
3-11-1638: Mr. Rudolf van Nijpoort, advokaat bij het hof van Utrecht, gehuwd met Johanna van Hagenouwen, bij overdracht door Dirk de Cock, grootvader, te Cothen en Jan van Spithoven Cornelisz, oom, voor Cornelis van Spithoven Dirksz, onmondige zoon van [de dan overleden] Aaltje Dirks de Cock, voor f 3900 en 1 rozenobel. Het is niet onwaarschijnlijk dat de verdere opvoeding van de minderjarige Cornelis met deze opbrengst veilig werd gesteld. Ook dit deel van het leen verdwijnt daarmee definitief uit het familiebezit.
Aangetekend moet daarbij worden dat van het in 1518 gesplitste oorspronkelijke leen uit het grootste (2/3) deel op 12-3-1534 opnieuw de helft wordt afgesplitst, welk deel na veel omzwervingen op 31-9-1603 ook aan Cornelis Dirksz van Spithoven "te Wijk" wordt overgedragen. Deze verwerft een jaar later alle rechten, waarna het na zijn dood Johan Cornelisz van Spithoven toevalt (13-10-1610, als boven). Op 6-4-1639 draagt Johan Cornelisz dit leen ook aan Mr. Rudolf van Nijpoort over, maar vreemd genoeg ontvangt hij het op 22-3-1645 weer van deze terug. Het motief ontgaat mij.

Aanvullingen door: Johan Voorberg